Gisteren was ik, zoals áltijd, aan het werk. Maar in plaats van dat ik op mijn oude, vertrouwde damesafdeling stond en over allerlei vrouwenzaken de uurtjes vol kletste met vrouwen, moest ik gisteren naar de herenafdeling. Out of my comfort zone! En dat was eigenlijk heel goed voor mij.
Half verdwaald tussen de heren t-shirts, jassen en veel te grote broeken waar ik in zou zwemmen, raakte ik in gesprek met een man. En in plaats van de normale onderwerpen die langskomen bij de damespaskamers, had ik het ineens over sport. Jawel, ik had het over sport. Sport dus. Nou was ik nog net niet zo ver om de voetbaluitslagen van afgelopen week uit te kunnen wisselen met deze meneer, maar ik kon hem wel vertellen dat ik aan hardlopen doe. Hij reageerde enthousiast: “Oh, wat leuk! En hoeveel kilometer loop je dan?” Tja, daar had ik eigenlijk niet eens zo over nagedacht. Ik ren gewoon altijd maar een eindje, en op een gegeven moment draai ik om. Maar ik wilde eigenlijk wel slim overkomen dus antwoordde ik: “Nou, wel vijf kilometer hoor.”
Thuis heb ik eens opgezocht hoeveel ik eigenlijk ren normaal gesproken. Dat bleek maar zo’n 2.5 kilometer te zijn. Dat was dus de helft minder dan ik had gezegd. Maar vandaag was ik in een grootmoedige bui en besloot ik eens voor de grap vijf kilometer te rennen. Of nou ja, 4,85 dan.
Totaal afgepeigerd en met een roze hoofd kwam ik thuis. Mijn kuitspieren zijn ondertussen verschrompeld tot het formaat van een paar gedroogde sperzieboontjes en mijn gezicht is nu, twee uur later, nog steeds roze. En het voelt geweldig! Ik heb mijn eigen grenzen verlegd. Zonder de hulp van die man van gisteren had ik dat nooit gedaan. Hij zal het waarschijnlijk nooit lezen, maar bedankt meneer. Nu ga ik lekker voor pampus liggen op de bank, tv kijken en chips eten. Oh, en hopen dat mijn gezicht morgen weer zijn normale kleur terug heeft…


